03. maart 2015 · 1 comment · Categories: Personal

Applause. Photo by J. Paul via FlickrAls dansblogger zie ik ontzettend veel dansvoorstellingen, die variëren van oninteressant tot heuse oog-orgasmes, en alles er tussenin. Het zette me onlangs aan het denken: wat maakt een choreografie goed, maar vooral wat niet? Ik ging op onderzoek uit en ontdekte basiselementen die (in mijn ervaring) bij elk succesvol dansstuk aanwezig zijn, maar ook wat valkuilen zijn. Handig als inspiratie voor als je een beginnende dansmaker bent, maar ook als reminder voor meer ervaren choreografen. Zeg gedag tegen de eeuwige driehoek-formatie, top-40 hits en het eindigen van dans als een steen op de grond. Zie hier mijn 8 do’s & don’ts bij het maken van dans.

Een van mijn grootste passies naast zelf dansen en schrijven over dans, is choreograferen. Het maken van dans geeft mij persoonlijk veel meer voldoening dan zelf dansen, hoewel dat best uitdagend kan zijn. Choreograferen is echt een vak apart en je moet daar wel (wat) talent voor hebben. Iedereen is anders, heeft een eigen stijl en smaak, maar hoe kun je in ieder geval de dans der basischoreografie-fouten ontspringen? Check it out.

Dansen = schrappen
Direct een moeilijk punt voor dansmakers is het bepalen van de lengte van een dansstuk. Hoe ambitieuzer/ meer perfectionistisch je bent, hoe moeilijker het is om het short & simple te houden, maar juist dát is de kracht van een goed dansstuk. Een goede voorstelling is in mijn ervaring liever te kort dan te lang. Iets met hunkeren naar meer. Stukken van 20 minuten hebben mijn voorkeur, daarom zie je me altijd enthousiaster bij een voorstelling dat een drieluik is van verschillende choreografen, dan een avondvullende voorstelling van dezelfde dansmaker. Maar wat is eigenlijk te lang of te kort? Dit heeft mijn voorkeur: 1. Solo: maximaal 10 minuten, 2. Duet: maximaal 20 minuten, 3  Groepsstuk: maximaal 60 minuten. Maar natuurlijk zijn er uitzonderingen en ligt dit ook aan het concept, de opzet en het doel van de dans. Bij schrijven geldt de regel “schrijven = schrappen”, bij dans is dit ook het geval. Tijdens het maakproces is het goed om je af te vragen of bepaalde momenten van toegevoegde waarde zijn voor het publiek, of de essentie van het stuk nog wel helder is en of sommige momenten geen theatrale opvulsels met lichamen zijn. Uiteindelijk gaat het er bij dans vooral om dat de choreograaf ‘to the point’ komt. Ongeacht of het nou een verhalend of (meer) abstract werk is. Elk dansstuk heeft een essentie, die keuze moet helder zijn en blijven. Er zijn genoeg choreografen out there die standaard teveel willen zeggen/ overbrengen, de ambitie is natuurlijk goed, maar dat doet het werk veelal geen goed. Overrompel je publiek dus niet, verleidt ze eerder en laat ze achter met een keiharde ‘we want more’.

Het begin en het einde
Dansmakers die het moeilijk vinden om ‘to the point’ te komen of het sowieso moeilijk vinden om te maken, hebben altijd wel een paar handvatten die ze toe kunnen passen. Een voorbeeld hiervan is de begin/ einde regel. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat voor het publiek die naar een voorstelling kijkt, ongeacht of het dans, mime, zang of film is, dat het begin en het einde het meest bepalend zijn voor de indruk van de gehele voorstelling. Het middenstuk valt over het algemeen in het geheugen meer weg, daar is meer ruis. Ook bij kleine dansstukken zoals solo’s is dit interessant om bewust toe te passen. Als het begin en het einde van een dansstuk overtuigend en vooral indrukwekkend zijn, dan is dat meer dan het halve werk. Denk er ook maar eens over na als je een stuk hebt gezien, wat heb je het meest onthouden? Vast vooral het begin en het einde. Gebruik die kennis dus altijd in je voordeel.

All about that rug
Wat vele professionele choreografen heel goed doen is het spelen met wat juist onzichtbaar is en het wisselen van fronten. Het bewust gebruiken van de rug is hier een goed voorbeeld van en deze verdient het echt om apart genoemd te worden. Juist als we het gezicht niet kunnen zien door kleding, attributen of het dansen met de rug naar het publiek, geeft het een extra dimensie aan een dansvoorstelling. De rug is voor sommige makers, vooral voor amateurs, nogal een ondergeschoven kindje. Zonde. Ik kan het echt aanraden om in te zetten tijdens dans. Wissel met die fronten! Iemand als Joeri Dubbe bewijst in het stuk hieronder dat spanning en verleiding vaak niet zit in wat we wel zien, maar wat we niet zien.

Voor/ achter
Bij een goede voorstelling wordt er bewust gebruik gemaakt van het podium en placering van de dansers. Dit klinkt voor de meesten als het intrappen van een gigantische open deur, en ik schaam me bijna om deze erbij te zetten, maar toch gaat dit niet altijd goed. Vooral bij amateurvoorstellingen maar ook bij solo’s zie ik dat vaak. Het gevoel voor compositie is niet iets wat iedereen van nature heeft, maar de regels zijn eigenlijk simpel: op het moment dat er vooraan iets gebeurt, is het heel spannend als er achter op het podium ook een kleine beweging is en zo zijn er nog vele combinaties en mogelijkheden te bedenken. In wezen komt het er dus op neer dat je diepte creëert in dans. In mijn ogen geven goede voorstellingen je het gevoel dat je soms op het puntje van je stoel moet gaan zitten, omdat je anders elementen of dansers mist. Hoe ‘platter’ de compositie is, hoe groter de kans dat het publiek mentaal afhaakt en (bijvoorbeeld in mijn geval) gaat nadenken over mails die nog verstuurd moeten worden of het kopen van kattenvoer. Dat moet je niet willen als maker toch?

muziek-keuze-dance-talk-fotografie-blush-fotografieMuziekkeuzes
Nog meer dan kostuums of decor is in mijn ogen de keuze voor de muziek gigantisch bepalend voor het succes van een dansstuk. De keuze voor de muziek is strikt persoonlijk en heeft ook te maken met het concept van het stuk (mocht je dat hebben). Bij een succesvolle dansvoorstelling is de muziek ‘smooth’, daarmee bedoel ik dat waar er ook voor gekozen is, je niet het idee hebt dat er technici willekeurig op play of stop aan het drukken zijn in de coulissen of dat de muziek puur een opvulsel is. De muziek moet kloppen en als dat zo is, man wat maakt dat een voorstelling goed. Het kan soms ook heel interessant zijn als de bewegingen van de dansers juist niet passen bij de muziek. Zo voorkom je het verschijnsel dat er op snelle muziek, standaard snel bewogen moet worden en andersom. Hoe meer het bij elkaar past, hoe voorspelbaarder het wordt, maar daar later meer over. Ook het soms kiezen voor stilte in plaats van het kiezen voor ‘muzak’, werkt goed. Het horen ademen van de dansers, het geluid van het schuren van kleding en voeten over de vloer kan echt een toegevoegde waarde zijn en maakt elk stuk in mijn mening sterker. Afwisseling is key. Misschien ook nog een goede tip: ik was een hele tijd geleden bij een voorstelling waarbij tijdens een groepsstuk een erg bekend nummer gedraaid werd (denk top-40). Wat een smaakvol feest van herkenning moest zijn leidde in dit geval tot het mentaal ‘uitchecken’ van het publiek. Velen gingen massaal kletsen, lachen, half meezingen en leken totaal niet meer bezig te zijn met wat er op het podium gebeurde. Het gebruik van bekende nummers hoeft dus niet altijd een slimme zet te zijn om de hartjes te winnen van de toeschouwers.

Zoek de code
Iets wat ik ten tijde van mijn dansopleiding heb geleerd is het ontdekken van de ‘code’ in een dansvoorstelling. Dit is vaak een beweging of een serie van bewegingen die regelmatig of sporadisch terugkomen. Het kan ook een bewegingsconcept zijn, bijvoorbeeld dat veel bewegingen geïnitieerd worden vanuit de rechterarm, maar steeds anders. Normaliter ben ik er totaal niet voor om veel herhaling te gebruiken, maar voor het publiek kan het heel prettig zijn om dit (met mate) juist wel te doen. Herhaling hoeft niet saai te zijn. Net als bij een liedje is het refrein niet een teken van luiheid omdat er hetzelfde gezegd wordt, het is juist een manier waarop de muziek (en ook in het geval van dans) beter blijft hangen. Het geeft het publiek een beetje houvast van alle andere bewegingen, vooral bij langere stukken kan dit goed uitpakken. Dus merk je tijdens het maken dat je een bepaalde beweging, hoe klein dan ook, af en toe herhaalt? Grote kans dat dat je code is. Kijk hier kritisch naar, pas het desgewenst aan en vergroot het altijd uit.

(On)voorspelbaarheid 
Misschien in tegenspraak met het eerder genoemde punt, maar het is ook belangrijk dat de patronen in een voorstelling afwisselend blijven. Ik kom het namelijk vaak tegen, zowel bij amateurvoorstellingen als bij het professionele werk, dat er een soort ‘omstebeurt’ constructie is. Bijvoorbeeld omstebeurt solo’s dansen, of duetten. Een sterke voorstelling is niet voorspelbaar. Een hele duidelijke constructie kan best werken, maar dan moet het kraakhelder en bewust gekozen zijn.

Een manier om voorspelbaarheid te doorbreken is door een onverwacht element er doorheen te gooien, te spelen met verschillen in tempi, niet voor bekende formaties te gaan (de driehoek!) en bijvoorbeeld niet te kiezen voor het standaard man-vrouw duet. Bij vele voorstellingen van Scapino Ballet maar ook bij Batsheva Dance Company gebeurt er altijd wel ineens iets heel grappigs, totaal onverwacht, wat een nieuwe impuls geeft aan het stuk en verfrissend werkt voor het publiek. Daar hou ik van en gelukkig zie je dat ook steeds meer terug bij dansstukken. Dat hoeft dus niet ingewikkeld te zijn; het onverwachts inzetten van een kort groepsstuk of het gebruik van lollige attributen kan de sleur uit een voorstelling halen. Voorspelbaarheid is ook weg te halen door te spelen met telling. Als je als danser in het publiek zit en je kunt op een gegeven moment gokken dat er braaf wordt gewerkt met 5, 6, 7, 8 waarna er een nieuwe beweging komt en ook de ‘preparatie’ voor een beweging er dik bovenop ligt, is dit bijzonder saai. Wees onvoorspelbaar.

Als een steen
Tot slot: eindig een choreografie nooit dramatisch liggend op de grond. Zo van ‘dood’. Dat is zo uitgekauwd en schreeuwt op een kinderlijke manier dat het het einde is van het stuk. Ik heb dit echt nooit begrepen en zie het in het professionele circuit gelukkig ook bijna nooit, maar amateurs zijn hier dol op. Niet doen dus.

Uiteraard zijn er naast bovenstaande punten nog veel meer of andere te bedenken die een dansvoorstelling succesvol of onsuccesvol kunnen maken. Dans is immers nooit objectief en iedereen heeft een andere stijl en smaak. Deze punten zijn in ieder geval voor mij belangrijk als ik dans maak of ernaar kijk. Heb jij ook nog tips of valkuilen bij het maken van dans? Deel ze!

Op de hoogte blijven van alles rondom Dance Talk? Hier kun je me vinden:

X Twitter: @Dancetalk_Blog
X Facebook: Dancetalk
X Instagram: Dancetalk_nl

 

facebooktwittergoogle_pluspinterest

1 reactie

  1. Wat een prachtig stuk van Rosas! Ik ga m bewaren voor als m’n dochter ooit op dansles wil en de docent vindt dat dansen in een rolstoel niet mogelijk is.

Laat een reactie achter